De science-fiction van nu

Ik probeer mijn literaire vrienden aan het verstand te brengen dat door de technologisering van de samenleving science-fiction een niet meer te negeren onderdeel van de cultuur aan het worden is.

Boeken zoals ‘Super Sad True Love Story’ van Shteyngart en ‘De kaart en het gebied’ van Houellebecq zijn feitelijk al science-fiction. Aan de andere kant is er science-fiction die de rand van het nu mogelijke bewandelt en ons laat zien hoe de nabije toekomst eruit zou kunnen zien.

Die ‘edge’ science-fiction is de leukste en elk jaar is er wel een boek te vinden dat precies het nu vangt. Vorig jaar was dat Zero History (mijn recensie op de Republiek, fragmenten) en dit jaar is het dankzij de Londense rellen The City & the City van China Miéville.

Kars heeft er voor zijn praatje op dConstruct ook stevig uit geput. Ik moest het toen nog lezen maar heb hem vorige week in anderhalve dag (3 uur en 35 minuten volgens Readmill) doorgeknald.

Het boek gaat over twee steden Besźel en Ul Qoma die gescheiden worden niet door fysieke barrières maar door conventie. Beide steden liggen op dezelfde plek waar sommige delen grond bij de Besźel horen, en andere bij Ul Qoma.

Waar het ingewikkeld wordt is dat er delen grond zijn die gearceerd zijn, die bij allebei horen. In Miéville’s boek negeren mensen die zich op zulke gebieden bevinden de inwoners van de andere stad. Dit is geen keuze, maar een sociale conventie die diep geworteld is van kinds af aan en ook bekrachtigd wordt door een speciale politie-eenheid genaamd ‘Breach’.

Mensen zien de inwoners van de andere stad lang genoeg om niet met ze te botsen maar ontzien ze dan direct (letterlijk). Bewust zijn van wat er in de andere stad gebeurt is een strafbaar sociaal taboe. Beide steden zijn uit elkaar te houden door hun eigen kleuren, architectuur en lichaamstaal die je wel mag zien maar toch ook weer niet.

Wat dat betreft is het een dankbare achtergrond waar allerhande allegorieën zich opdringen. Maar we hoeven niet terug te grijpen op Berlijn of Baarle. We leven effectief al in de meeste grote steden op de manier zoals beschreven door Miéville. The City & the City is een amusante detective-roman met samenzweringen à la de Illuminati en het verlies van één man. Maar belangrijker nog zet het zoals goede science-fiction hoort te doen aan tot denken over de wereld waarin we leven.

Nu aan het lezen Rule 34 van Stross (naar het meme) en daarna Reamde van Stephenson.

Notes about Thoughts on Interaction Design by John Kolko

We read Thoughts on Interaction Design 2nd edition as the fifth book for the UX Book Club Amsterdam and reviewed it yesterday. Here are my noteworthy passages from the book, which is not without its issues, but it does give a credible philosophical foundation for our practice.

p.34 A mature designer respects and embraces the often ill-structured nature of the process and —because he knows to expect messiness during the act of creation— he promptly forgets about it completely. Process becomes innate, and the phenomenon of design intuition takes over.

p.37 This view might be informed by an understanding of culture, or an intricate care and love of society.

p.55 When viewed under the guise of language, these products become the fabric of society and allow people to express themselves, to communicate with others, and tho shape their environment in unique ways.

p.57 designers must both realize and control the rhetoric of their designs.

p.72 Some have become wise to the farce, and no amount of decoration can lure these consumers into the trap. They select only handcrafted objects of beauty, and they’ve learned to judge good design and honest labor.

p.73 Consider, then, that designers can focus on supporting authentic human experiences with their work in a less forceful, controlling manner. Rather than striving to control every aspect of a time-based set of interactions, and rather tan attempting to shepherd people through a contrived set of experience gates, designers can support the authenticity that occurs naturally in life by producing incomplete or partially produced design artifacts.

p.77 A poetic interaction can generally be characterized as having or encouraging, three main elements: honesty, mindfulness, and a vivid refined attention to sensory detail.

p.83 Yet if designers focus only on the low-hanging fruit of functionalism or usability, the human experience with designed objects is destined to a level of banality.

p.88 The pursuit of a creative solution is not an easy activity, yet the difficulty —the sense of accomplishment that occurs when completing a difficult task— can be thought of as one of the main attractors to participants in the design process.

p.88 There is more to life than usability.

Carr’s self-interest

There’s a bunch being said about Nicholas Carr’s book “The Shallows”. Most notably a lot of print media jumping onto the the Ever-Betters bandwagon. Obviously Carr stating that reading long form print is being drowned out by the internet is right up the alley of the old media in their death throes.

That clinging of the moribund is however just a side-effect.

Carr’s argument is wholly one of self-preservation. If you are an old media and old academia educated intellectual, you will be passed by left and right by those that are able to strike the right balance between the old and the new. Those that use Twitter and Wikipedia to their full extents while still reflecting on their relative merits, those that can process megatons of information every day while doing their best jobs and retreat from time to time still to read a book or write a piece.

In short: Carr has nothing on us and he knows it. The Shallows is a desperate attempt by the older generation to remain relevant in a new world. Ultimately futile of course, but it should still provide Mr. Carr with some temporary currency.

Update:
Or as James Bridle puts it in part one of his seven part futurist tome (better than I can, but I hope I may be excused):

I am paying attention, but I am paying attention to everything, and even if my knowledge is fragmented and hard to synthesise it is wider, and it plays in a vaster sphere, than any knowledge that has gone before. —“Stop Lying About What You Do”, James Bridle

Gelezen in 2010

Naar aanleiding van dit lijstje van meneer Webb. Ik heb elf boeken uitgelezen in 2010. Schandelijk schamel aantal, ver van de 1 boek per week waar ik naar streef (maar ik heb wél 73 films gezien).

  1. “Zero History” door William Gibson
  2. “Spook Country” door William Gibson
  3. “Red ons Maria Montanelli” door Herman Koch
  4. “Designing for the Digital Age” door Kim Goodwin
  5. “Senorita’s” door Christophe Vekeman
  6. “A Pattern Language” door Christopher Alexander
  7. “A Theory of Fun for Game Design” door Raph Koster
  8. “Sonneten en andere gedichten” door F. Petrarca
  9. “Het Diner” door Herman Koch
  10. “Visualizing Data” door Ben Fry
  11. “Makers” door Cory Doctorow

Weinig meer over te zeggen dan dat de boeken die vetgedrukt zijn aanraders zijn.

Nog: Ik heb de twee bovenste boeken van Gibson gelezen op mijn iPhone (Stanza) en zonet Freedom uit op mijn iPad (iBooks). Ik sluit uit dat ik nog een significante hoeveelheid boeken op papier zal lezen en ben al een tijdje bezig mijn boekenkast te liquideren.

Spook Country

I wanted to read Zero History and found out I hadn’t read Spook Country yet, so I did. Unfortunately Stanza does not allow a batch export of annotations, but fortunately I did not make that many.

“Secrets,” said the Bigend beside her, “are the very root of cool.”

Because that is exactly, specifically, his goal, his only goal: to frighten you into surrendering the rule of law. That’s why they call him ‘terrorist.’ He uses terrifying threats to induce you to degrade your own society.”

“Angelina says he’s utterly amoral in the service of his own curiosity.”

Open Bookmarks is a good idea. And off into atemporal London I go.

Een grijs-bruin vaderland

Ik schreef een tijdje geleden al bij mijn foto over de Linkse Hobby:

Zonder linkse hobby’s krijgen we een grijs-bruin land van spruitjeslucht en vlagparades. (Flickr)

En dat is bewaarheid.

Maar gelukkig hebben we onze Dichter des Vaderlands, scherpzinnig en met dichterlijke vrijheid als wapen. Na het manifest van Terschelling, is het fijn dat Nasr er op en er overheen gaat met het gedicht ‘Mijn nieuwe vaderland’:

Hele tekst bij P&W en op de site van de Dichter des Vaderlands.

Wordt het niet tijd voor een rhetorische wapenschouw van iedereen die zich verstandig progressief noemt en openlijke vijandigheid in het publieke debat? Dit gaat allemaal nog een stuk lelijker en naarder worden voordat het beter wordt, dus laten we in het geweer komen.

In ander nieuws: Het was nog nooit zo fijn om alternatieven te hebben: “Turkije vindt dat Rutte discrimineert”.

Ontwerp en complexiteit als journalistieke kansen

De laatste dagen staan een beetje in het teken van gelekte e-mailtjes van, naar en door invloedrijke mensen in Nederland. Een van de recentere is die van de nieuwe hoofdredacteur van het NRC, Peter Vandermeersch, naar zijn redactie, hieronder (via):

Klik voor groter. Vandermeersch benoemt een serie dingen die de krant zou kunnen en moeten verbeteren om ‘het centrum van het politieke en intellectuele debat’ in Nederland te worden. Ik denk dat weinig mensen echt problemen zouden hebben met deze punten, veel ervan zijn nogal voor de hand liggend: sneller, beter, harder nieuws, geen primeurs laten afpakken, geen dingen laten liggen.

Wat ik vanuit Monster Swell wel interessant vond was zijn herhaaldelijke roep om twee dingen die in ons straatje liggen.

Helderder maken van ingewikkelde cijfers en kwesties

We zijn niet goed in cijfers

Hij geeft aan hoe het problematisch is om cijfers die in de krant staan voor de lezer te duiden op een manier dat het interessant is en dat mensen snappen wat het betekent. Journalisten die statistiek leuk vinden zijn er niet zo veel.

Hetzelfde met het punt over het pensioendebat:

We hebben het niet of heel weinig over de vraag hoe groot ons pensioen is, wat we nu moeten doen als dertigjarige, veertigjarige of vijftigjarige om straks een goed pensioen te hebben

Dit is een kwestie die bij meer mensen speelt die ik ken, maar daarnaast juist bij dit soort grote vormeloze maatschappelijke problemen zou een krant de verdieping en verduidelijking moeten brengen die iedereen mist. Dit kan visueel, of met een dossier of door een online supplement met interactieve rekentools en tie-ins met andere bedrijven.

Journalistiek is teveel een bastion van de alpha/gamma geweest maar in een complexer wordende wereld zijn er mensen nodig die wiskunde en statistiek kunnen gebruiken om complexe thema’s te identificeren, te analyseren en dat dan om kunnen zetten in een verhaal waarin ze dat alles uitleggen. Deze mensen moeten dan juist niet weggestopt worden in de wetenschapsbijlage. Wetenschap, techniek en ontwerp raken tegenwoordig elk facet van ons leven.

Datajournalistiek is daar één onderdeel van. Deze thema’s blijven terugkomen. Gegevens moeten verzameld worden en ontsloten als journalistiek gereedschap, soms voor een plaatje of kaartje in de krant, soms voor een online tool en soms misschien alleen als achtergrond bij een stuk tekst.

Daar heb je mensen nodig die een beetje van alles kunnen en een paar specialisten. Is dit een wensdroom? Valt dit te integreren in de dagelijkse praktijk van een krant of uit te voeren in tijdelijk dienstverband? Wij denken van wel en we willen graag uitzoeken hoe en wat.

Beter visueel ontwerp

We zijn niet creatief genoeg in onze aanpak en presentatie.

De roep om interessantere formats en betere en visuele presentatie van de concepten die in de krant komen. Met kaartjes, foto’s en over het geheel: beter ontwerp.

We creëren te weinig ingangen in onze stukken.

Het verhaal over die lichtbalk blijft een beetje vaag maar dit is ook weer een roep om een interessantere opmaak en formattering van stukken.

Niet precies in ons straatje, want Monster Swell doet zelf geen visueel ontwerp, maar we hebben een redelijk sterke mening over wat wel en wat niet goed/mooi is en we zoeken naar de beste grafische ontwerpers om mee samen te werken (in Nederland moet dat vooralsnog met een klein lampje).

Goed grafisch ontwerp begint met een sterk concept en een goede ordening van wat belangrijk is en wat niet (informatie-ontwerp). Dat doen we dan weer wel. Wat de rest betreft, stel ik voor dat ze @iA inhuren en de NRC deze eeuw in katapulteren.

Zuiverheid

In de nacht van vrijdag op zaterdag kreeg onze Dichter des Vaderlands een blok van anderhalf uur radio in Zomernachten om te vertellen wat hij wilde. Ik had me in de dag vergist, maar het stond vannacht ook al op de website. De MP3 is hier uit de podcast te vissen: Zomernacht van Ramsey Nasr.

Het mag hier al duidelijk zijn dat ik een fan ben van Nasr. Als je die anderhalf uur luistert, word je het waarschijnlijk ook. Een prettige aanklacht tegen de huidige stand van zaken in Nederland, niet populair maar wel goed onderbouwd. Alleen ben ik bang dat hij er geen nieuw publiek mee bereikt. Zolang wij zó in de minderheid zijn kunnen we zeggen wat we willen maar denk ik niet dat we er iets mee bereiken.

Zijn prangendste aanklacht zoals ook in het manifest van Terschelling te lezen valt is dat ons nieuwe kabinet alles wat geen direct nut heeft wil afschaffen, alles wat ons onderscheidt van de dieren.

kunst is maar een bijproduct
zij is niet nodig om te kunnen
eten, neuken, ademen

Zie ook: Wat ons rest – een gedicht over lege schalen

Check in / Check Out – Design Principles for Camera Surveillance

Here the first of my English translations of the design principles outlined in the Dutch book by Rathenau about the digitalization of society and its implications.

The book is quite good and I think these design principles deserve a wider audience. I’ll get to noting down the ones from chapter 0001 in a bit, now just the ones from the (second) chapter 0010 which was unfortunately of somewhat meager interest.

Camera surveillance can serve as an example for other applications in the public space. There is a legal framework in which camera surveillance is allowed, which functions properly and can serve as an example for other technologies. In the ’90s camera surveillance was a means that was subject to public and political debate. Based on these discussions, legislation has been instituted that limits citizens’ privacy violations. You can’t put cameras on the street without adhering to certain rules. There are also clear rules what can be done with captured data from which we can distill the following design principles.

  • Privacy in public is a problem case in and of itself.
    You are visible for everybody and you cannot invoke the right of protection of the personal living sphere when you’re out and about. In the public domain the collective interests of safety and order trump the individual right of privacy.
  • Who does not commit any offenses should stay anonymous.
    Even though it is possible to watch everybody using camera surveillance, it is not necessary to identify everybody. Only if it is necessary for police work should an image be linked to a person.
  • Watch the watchers.
    As information becomes more and more centralized, it gives more oversight and power to those that watch over those being watched. According to the rules of the panopticon, this increase needs to be combined with a corresponding increase of control over the center. Camera surveillance also has synoptic elements. Technology needs to be used by citizens who want to check on government as much as by the government to check on its citizens.

This is a quick and rough translation but it should serve most applications.

The legislation that works properly that is referred to above is the one that’s in place in the Netherlands. In how far that is the case can be subject to debate, but most people in the Netherlands do not object to camera surveillance, so there is democratic support for camera surveillance.

Check in / Check Out, Case by Case — Case 0010, “Straatbeelden”

Niet zoveel aan te merken op dit hoofdstuk. Ook niet heel erg mijn interessegebied.

Algemeen over de huidige stand van zaken wat betreft het camera-toezicht, de wettelijke kaders en hier en daar wat dingen over het concept panopticon en in hoeverre dit geldt wanneer het verzamelen en het bekijken van de beelden gedistribueerd zijn.

Frappantste is dat de grootste ontwikkeling in het camera-toezicht komt door het internet omdat nu waarschijnlijk het grootste deel van de camera-beelden over internetverbindingen met redelijke standaardprotocollen zal gebeuren. Ik neem aan dat het hiervoor met veel proprietaire systemen gebeurde, die daardoor moeilijk aan elkaar te koppelen waren. Hier dus ook weer IP als grote gelijkmaker.

Systemen die camera-toezicht efficiënter moeten maken en potentieel hele grote privacy-inbreuken kunnen veroorzaken zoals het detecteren van ongewenst gedrag —Wat is ongewenst gedrag?— en het volgen van mensen door bestanden en systemen heen, zijn allemaal nog niet zo ver dat we ons daar zorgen over moeten maken.

Maar ik denk wel dat we ons daar nu al zorgen over moeten maken. Ik vind dat in dit hoofdstuk die toekomst wanneer computers net zo goed en misschien wel beter dan mensen beelden kunnen verwerken en de gevolgen daarvan niet voldoende verkend worden. Het zal misschien wat langer duren, maar ik denk zeker dat dat er gaat komen.